HomeNegen CommentarenGeschiedenisOpzeggingenVideosInternationaal

Deel 3 – De tirannie van de Chinese Communistische Partij


Vandaag de dag zijn het geweld en de misbruiken van de Chinese Communistische Partij (CCP) nog heviger dan die van de tirannieke Qin dynastie. De filosofie van de CCP is gebaseerd op strijd, en de heerschappij van de CCP is gebouwd op klassenstrijd, strijd over de beleidslijn en ideologische strijd binnen China, die zich uitstrekt naar andere landen.

Voorwoord

Het opschrift op de vlag luidt; “Het politieke regime is gebouwd op wapens.” Strijd, revolutie, moord en vervolging zijn de wapens van de Communistische Partij die dienen om haar bewind te handhaven.
Bij de term tirannie denken de meeste Chinezen terug aan Qin Shi Huang (259–210 v. Chr.), de eerste keizer van de Qin Dynastie, onder wiens tiran­nieke regime filosofische wer­ken verbrand werden en Con­fu­cia­nistische geleerden levend begraven. Qin Shi Huang’s hardvochtige aanpak was ge­stoeld op zijn beleid om de wet uit te voeren ‘met alle mogelijke middelen onder de hemel’.[1] Dit beleid had vier peilers: 1) buitensporig hoge belastingen, 2) misbruik van arbeid voor zelfverheerlijking, 3) wrede fol­teringen en draconische wetten met straffen die zich uitstrekten tot familie en buren van de beklaagden, en 4) controle over de gedachten van burgers door het blokkeren van alle vrijheid van denken en meningsuiting, door boekverbrandingen en zelfs het levend begraven van geleerden.

Onder het regime van Qin Shi Huang bestond de bevolking van China uit 10 miljoen mensen, waarvan er 2 miljoen onderworpen werden aan dwangarbeid. Qin Shi Huang’s strenge wetten strekten zich uit tot het intellectuele domein en hij verbood de vrijheid van meningsuiting op een massaal niveau. Tijdens zijn regime werden duizenden Confucianistische geleerden en ambtenaren die kritiek hadden op de overheid vermoord.

Vandaag de dag zijn de gewelddadigheden van de CCP veel grootschaliger dan die van de tirannieke Qin Dynastie. De meeste mensen weten dat de filosofie van de CCP ‘strijd’ is. Mao Zedong, de eerste leider van de CCP sinds de oprichting van de Volksrepubliek China (VRC), nam geen blad voor de mond met zijn statement: “Qin Shi Huang zou nergens over moeten opscheppen. Hij begroef 460 intellectuelen. Wij begroeven er 46.000. Er zijn mensen die ons beschuldigen een dictatuur uit te oefenen zoals Qin Shi Huang en wij geven het graag toe. Het klopt met de realiteit. Het is gewoon jammer dat ze onze naam tekort aandoen want wij zijn erger.”[2]

Laten we eens kijken naar de 55 zware jaren onder de leiding van de CCP. Gezien het feit dat de basisfilosofie van de CCP ‘klassenstrijd’ is, heeft de CCP sinds het begin van haar macht kosten nog moeite gespaard om volkerenmoord te gebruiken in deze klassenstrijd en zij heeft een bewind van terreur gevestigd met haar beleid van ‘gewelddadige revolutie’. Moord en hersenspoeling werden hand in hand ingezet als middelen om alle gedachtegangen die afweken van de communistische ideologie te onderdrukken. De CCP heeft de ene campagne na de andere gelanceerd om zichzelf als feilloos en goddelijk af te spiegelen. Met haar beleid van de ‘klassenstrijd’ en ‘gewelddadige revolutie’ heeft de CCP geprobeerd dissidenten en kritische groepen uit de sociale bevolking te ‘reinigen’ met misleiding en geweld, om van alle Chinezen gehoorzame slaven van de tirannie te maken.

I. Landhervorming - Het uitroeien van de klasse der landeigenaren

Nauwelijks drie maanden nadat communistisch China was gesticht, riep de CCP de eliminatie van de klasse der landeigenaren uit tot een van de principiële richtlijnen van haar nationale landhervormingsprogramma. De partijslagzin “het land aan de landbouwer” kwam tegemoet aan de zelfzuchtige kant van de landloze boeren en moedigde hen aan om de strijd aan te binden met de landeigenaren, ongeacht de manier waarop en de morele implicaties ervan. De landhervormingcampagne vernoemde expliciet het elimineren van de klasse der landeigenaren en deelde de plattelandsbevolking in volgens verschillende sociaal-maatschappelijke categorieën. Over het hele land werden 20 miljoen plattelandsbewoners bestempeld als zijnde ‘landeigenaren, rijke boeren, reactionairen, of slechte elementen’. Deze nieuwe verschoppelingen werden het slachtoffer van discriminatie en vernedering en hun rechten werden hen ontnomen. Terwijl de landhervormingcampagne zich uitstrekte tot in afgelegen gebieden en in dorpen met etnische minderheden, breidde de organisatie van de CCP zich ook snel uit. Partijcomités in dorpen en plattelandssteden doken op in heel China. De lokale afdelingen vormden een spreekbuis voor het doorgeven van instructies van het Centraal Comité van de CCP en de lokale afdelingen bevonden zich aan het front van de klassenstrijd om de boeren op te stoken zich tegen hun landeigenaren af te zetten. Bijna 100.000 landeigenaren stierven tijdens deze campagne. Boeren en de CCP moordden in bepaalde gebieden hele families landeigenaren uit, ongeacht geslacht en leeftijd, om zo de gehele klasse der landeigenaren te elimineren.

Ondertussen lanceerde de CCP haar eerste propagandacampagne waarin werd verkondigd dat ‘voorzitter Mao de grote redder van de bevolking’ was, en dat ‘alleen de CCP China kon redden’. Vanwege de gewoonte van de CCP om te nemen zonder ervoor te werken en te nemen zonder zich zorgen te maken over de manier waarop, kregen de landloze boeren tijdens de landhervorming wat ze wilden. Arme boeren schreven de verbeteringen in hun leven toe aan de CCP en geloofden bijgevolg de CCP-propaganda als zou de CCP handelen in het belang van het volk.

Voor de eigenaars van het pas verworven land waren de goede tijden van ‘het land aan de landbouwer’ echter van korte duur. In minder dan twee jaar legde de Partij de boeren een aantal toestanden op waaronder gezamenlijke hulpgroepen, basiscoöperatieven, geavanceerdecoöperatieven en volkscommunes. Met haar slagzin ter bekritisering van ‘vrouwen met gebonden voeten’ – d.w.z. diegenen met een trage manier van doen – oefende de CCP jaar in jaar uit druk uit om de boeren ertoe aan te zetten zich op het socialisme te storten. Door het in gebruik nemen van een landelijk standaardaankoopsysteem voor het verspreiden van graan, katoen en bakolie, werden de belangrijkste landbouwproducten uitgesloten van marktverkoop en onderlinge ruil. Tevens riep de CCP een ‘inwonersregistratiesysteem’ in het leven en voorkwam hiermee dat boeren naar de steden zouden trekken om ander werk te zoeken. Degenen die geregistreerd stonden als plattelandsinwoner werden niet toegestaan graan te kopen in staatswinkels, en hun kinderen werd het verboden om onderwijs te volgen in de steden. Kinderen van landbouwers konden alleen maar landbouwers zijn, en zo werden 360 miljoen plattelandsbewoners in de vroege jaren ‘50 tweederangsburgers.

Vanaf 1978, tijdens de eerste vijf jaren waarin het collectieve landbouwsysteemsysteem langzaamaan in een huishoudelijk contractsysteem veranderde, kregen enkele van de 900 miljoen boeren het wat beter; hun inkomen werd iets groter en hun sociale status werd wat beter. Dit magere voordeel ging echter snel verloren vanwege een prijsstructuur die voordeel gaf aan industriële goederen boven landbouwproducten; de landbouwers vielen terug in de armoede. Het grote verschil in inkomens tussen de plattelands- en stedelijke bevolking is drastisch toegenomen en de economische ongelijkheid wordt met de dag groter. Nieuwe landeigenaren en rijke boeren zijn opnieuw opgedoken in de plattelandsgebieden. Gegevens van het Xinhua Persbureau, de spreekbuis van de CCP, geven aan dat sinds 1997 de inkomsten van de belangrijkste graanproductiegebieden en de inkomsten van de meeste plattelandsgezinnen tot een halt zijn gekomen en in sommige gevallen zelfs zijn gedaald. Met andere woorden, de agrarische productie heeft de opbrengst voor de boeren niet echt vergroot. De verhouding tussen stedelijke en plattelandsinkomens is toegenomen van 1,8 op 1,0 midden jaren 1980 tot 3,1 op 1,0 vandaag de dag.

II. Hervormingen binnen de handel en de industrie - Het uitroeien van de kapitaalkrachtigen

De nationale bourgeoisie die in het bezit was van het kapitaal in steden en dorpen was een andere klasse die de CCP wilde elimineren. Toen China’s handel en industrie werden hervormd, beweerde de CCP dat de kapitalistische klasse en de arbeidersklasse verschillend van aard waren: eerstgenoemde was de uitbuitende klasse terwijl laatstgenoemde de niet-uitbuitende en anti-uitbuitende klasse was. Volgens deze gedachtegang was de kapitalistische klasse geboren om uit te buiten en zou zij hier niet mee stoppen totdat zij zou vergaan; deze klasse kon alleen maar geëlimineerd worden, en niet hervormd. Met deze veronderstellingen gebruikte de CCP moord en hersenspoeling om kapitalisten en handelaren te ‘transformeren’. De CCP zette haar doorgewinterde methode in van het ondersteunen van diegenen die gehoorzaamden en het vernietigen van diegenen die niet akkoord waren. Als men zijn bezittingen aan de staat schonk en de CCP steunde, werd men slechts als een miniem probleem van het volk beschouwd. Als men het echter niet eens was met of klaagde over het beleid van de CCP, dan werd men beschouwd als een reactionair en men werd het doelwit van de uiterst harde dictatuur van de CCP.

Gedurende het schrikbewind dat volgde op deze hervormingen gaven kapitalisten en zakenlieden allemaal hun bezittingen af. Velen van hen konden de vernederingen die ze moesten doorstaan niet aan en pleegden zelfmoord. De toenmalige burgermeester van Shanghai, Chen Yi, had de gewoonte iedere dag te vragen ‘hoeveel parachutisten’ er die dag geweest waren, waarmee hij het aantal kapitalisten bedoelde dat die dag zelfmoord gepleegd had door van het dak van een hoog gebouw te springen. In slechts enkele jaren zorgde de CCP ervoor dat het privé-bezit in China volledig verdween.

Terwijl zij haar land- en industriële hervormingsprogramma’s doorvoerde, lanceerde de CCP vele omvangrijke campagnes die het Chinese volk vervolgden. Deze campagnes bestonden o.a. uit de onderdrukking der ‘antirevolutionairen’, gedachtenhervormingscampagnes, het zuiveren van de anti-CCP groep die geleid werd door Gao Gang en Rao Shushi[3], en het binnendringen van de ‘antirevolutionaire’ groep van Hu Feng [4], de ‘Drie Anti-Campagne’, de ‘Vijf Anti-Campagne’, en het verder opruimen van antirevolutionairen. De CCP gebruikte deze campagnes om talloze onschuldige mensen als doelwit te nemen en meedogenloos te vervolgen. Naast het gebruik van de comités, afdelingen en onderafdelingen van de Partij, maakte de CCP tijdens iedere politieke campagne volledig gebruik van haar macht over de middelen die de regering ter beschikking stonden. Kleine zogenaamde gevechtseenheden, die bestonden uit drie Partijleden, werden in alle buurten en dorpen geïnstalleerd. Deze ‘gevechtseenheden’ waren overal en altijd aanwezig, klaar om iedere onregelmatigheid te rapporteren of aan te pakken. Dit diep ingegraven controlenetwerk dat een erfenis was van het ‘Partijnetwerk geïnstalleerd in het leger’ uit de oorlogsjaren, heeft sindsdien een hoofdrol gespeeld in allerlei politieke campagnes.

III. De vervolging van religies en religieuze groeperingen

Na het stichten van de volksrepubliek beging de CCP nog meer wreedheden in haar brutale onderdrukking van religie en haar algehele ban op alle plaatselijke religieuze groeperingen. In 1950 beval de CCP haar lokale bestuursraden alle onofficiële religies en geheime organisaties te bannen. De CCP beweerde dat dergelijke ‘feodale’ organisaties slechts als wapen gebruikt konden worden in de handen van landeigenaren, rijke boeren, reactionairen en geheimagenten van de KMT. In deze vervolging, die zich over het hele land uitstrekte, mobiliseerde de CCP alle klassen die zij vertrouwde om leden van religieuze groeperingen te identificeren en te vervolgen. Overheidsinstanties op verschillende niveaus werden rechtstreeks betrokken bij het ontmantelen van diverse ‘bijgelovige groepen’ zoals de christenen, katholieken, taoïsten (vooral de gelovigen van de I-Kuan Tao) en boeddhisten. Alle gelovigen en leden van kerken, tempels en religieuze gemeenschappen kregen het bevel zich te laten registreren bij de overheid en hun spijt te betuigen voor hun betrokkenheid. Weigeren werd zwaar bestraft. In 1951 vaardigde de CCP wetten uit om iedereen die zijn of haar activiteiten in niet-geregistreerde religieuze groepen zou voortzetten tot levenslange gevangenisstraf of de doodstraf te kunnen veroordelen.

Deze campagne vervolgde een groot aantal goedhartige en ordelievende gelovige mensen. Onvolledige cijfers tonen aan dat de CCP in de jaren ‘50 minstens drie miljoen religieuze gelovigen en leden van ondergrondse groeperingen heeft vervolgd, sommigen tot de dood. De CCP bezocht nagenoeg elk gezin in het hele land om de gezinsleden te ondervragen en het beeldje van de ‘keukengod’ – een traditie van de Chinese boeren – te vernielen. Executies bevestigden nogmaals dat de ideologie van de CCP de enige legitieme ideologie was én het enige legitieme geloof. Het concept van de ‘patriot-gelover’ werd een gangbaar begrip. De grondwet zou enkel nog de ‘patriottistische gelovigen’ beschermen. Dit kwam er in realiteit op neer dat men, ongeacht zijn religie, steeds de richtlijnen van de CCP zou moeten volgen en erkennen dat de CCP boven alle religies stond. Indien men een christen was, dan was de CCP ‘de god’ van de christelijke God. Was men een boeddhist, dan was de CCP de ‘de boeddha’ van Boeddha. Voor moslims was de CCP ‘de allah’ van Allah. Wat betreft de in leven zijnde Boeddha van het Tibetaanse boeddhisme, zou de CCP tussenbeide komen en zelf bepalen wie de levende Boeddha zou zijn. De Partij liet iemand geen andere keuze dan te doen en te zeggen wat de Partij hem opdroeg te doen of te zeggen. Iedere gelovige werd gedwongen de objectieven van de CCP uit te voeren terwijl zij hun geloof slechts in naam belijden. Weigeren zou iemand meteen tot doelwit maken van de harde dictatuur van de CCP.

Volgens een verslag van het online magazine Humanity and Human Rights op 22 februari 2002, hadden 20.000 christenen een enquête gehouden onder 560.000 christenen in lokale kerken en kloosters in 207 steden in 22 provincies van China. De enquête toonde aan dat van alle ondervraagde kerkgangers er 130.000 onder overheidstoezicht stonden. Het boek ‘Hoe de CCP de Christenen vervolgde’[5] uit 1958 stelt dat de CCP, tegen 1957, meer dan 11.000 gelovigen geëxecuteerd had, en er véél en véél meer willekeurig had gearresteerd en hen geld had afgeperst.

Met het vernietigen van de klassen van landeigenaren en kapitalisten en met het vervolgen van grote aantallen gelovige en ordelievende mensen, stelde de CCP het communisme aan als China’s allesoverheersende religie.

IV. De 'Anti-Rechtse' campagne - Een nationale hersenspoeling

In 1956 vormde een groep Hongaarse intellectuelen de Petofi-kring en zij hielden forums en debatten met kritiek op de Hongaarse regering. De Petofi-kring lag aan de oorsprong van de nationale Hongaarse revolutie die door de Sovjets onderdrukt werd. Mao Zedong trok zijn lessen uit het Hongaarse incident. In 1957 vroeg Mao de Chinese intellectuelen en andere mensen hun bijdrage te leveren om ‘de CCP te helpen zichzelf te verbeteren’. Deze campagne, bekend als de ‘Honderd Bloemen Campagne’, liep onder het motto van ‘het laten bloeien van honderd bloemen en het laten concurreren van honderd ideeën’. Mao’s bedoeling was de ‘anti-Partij elementen’ onder het volk eruit te halen. In zijn brief aan de provinciale Partijleiders van 1957 sprak Mao openlijk over zijn plannen de ‘slangen uit hun hol te lokken’ door hen hun meningen vrijelijk te laten uiten onder het mom van vrije meningsuiting en het ‘verbeteren van de Partij’.

De slogans van die tijd moedigden het volk aan haar stem te laten horen en beloofden geen represailles – de Partij zou ‘geen vlechten trekken, niet met stokken slaan, geen petten opzetten of achteraf rekeningen vereffenen’, wat betekende dat zij geen zwart schaap zou zoeken, geweld zou gebruiken, etiketten zou opplakken, of proberen wraak te nemen. Kort daarna lanceerde de CCP de ‘anti-Rechtse’ campagne en bombardeerde de 540.000 mensen die hun stem hadden laten horen tot ‘Rechtsen’. 270.000 onder hen verloren hun baan en 230.000 van hen werden of als ‘medium-Rechtsen’ of als ‘antisocialistisch element’ bestempeld. Later waren er sommigen die deze vervolging in vier stappen indeelden: 1) het lokken van de slangen uit hun hol; 2) het fabriceren van overtredingen, het plotseling bekritiseren en het straffen op basis van één enkele beschuldiging; 3) het meedogenloos en aanhoudend bekritiseren onder het mom van het redden van mensen; 4) het dwingen tot zelfbekritisering en het opplakken van de meest ernstige etiketten.

Welke waren dan de ‘reactionaire toespraken’ die zovele Rechtsen en anticommunisten hadden doen verbannen naar de uithoeken van het land? De ‘voornaamste drie reactionaire theorieën’, het doelwit van de intensieve vervolging van die tijd, bestonden uit een aantal toespraken van Luo Longji, Zhang Bojun, en Chu Anping. Een nadere kijk op hun voorstellen en suggesties toont aan dat hun wensen vrij welwillend van aard waren. Luo Longji stelde voor om een gezamenlijke commissie op te richten met zowel de CCP als verschillende democratische partijen om de uitwassen van de ‘Drie Anti-Campagne’ en de ‘Vijf Anti-Campagne’ en ander campagnes om reactionairen te ‘zuiveren’, te onderzoeken. De Staatsraad legde haar voorstellen zelf vaak ter analyse en commentaar voor aan het ‘Politieke Consultatieve Comité’ en de senaat van de Volksrepubliek, en Zhang Bojun stelde voor dat deze twee instanties ook een stem zouden hebben in het maken van de feitelijke beslissingen.

Chu Anping suggereerde dat, omdat mensen die geen lid waren van de Partij ook goede ideeën hadden, eigenwaarde en een gevoel van verantwoordelijkheid, het dus geen noodzaak was dat iedere ploegbaas, productieleider, voorman of directeur een Partijlid zou moeten zijn. Er was ook geen noodzaak om alle zaken, groot of klein, steeds volgens de suggesties van partijleden uit te voeren.

Alledrie hadden ze hun bereidheid om de CCP te volgen uitgesproken en geen enkele van hun suggesties overschreed de grenzen van het fatsoen zoals die door Lu Xun[6] werden neergeschreven: “Meester, uw jas is vuil, doe hem alstublieft uit en ik zal hem voor u wassen.” Net zoals de woorden van Lu Xun drukten de woorden van deze ‘Rechtsen’ volgzaamheid, onderdanigheid en respect uit.

Deze veroordeelde ‘Rechtsen’ hebben nooit beweerd dat de CCP omvergeworpen zou moeten worden; hun bijdrage bestond slechts uit opbouwende kritiek. Maar net omwille van deze suggesties verloren tienduizenden mensen hun vrijheid en werden miljoenen gezinnen het slachtoffer. Wat volgde waren nog meer campagnes zoals ‘de CCP in vertrouwen nemen’, de mensen van de harde politieke lijn opsporen, een nieuwe ‘Drie Anti-Campagne’, intellectuelen naar het platteland verbannen om er het zware werk te doen, en het vangen van de Rechtsen die de eerste keer door de mazen van het net geglipt waren. Diegene die onenigheid had met de leider van een werkplaats, en dan vooral met Partijsecretarissen, werd meteen geëtiketteerd als anti-CCP. Men werd dan onderworpen aan constante kritiek of voor ‘heropvoeding’ naar een werkkamp gestuurd. Soms zou de Partij een hele familie naar het platteland verhuizen en de kinderen verbieden een hogere opleiding te volgen of dienst te nemen in het leger; noch konden zij solliciteren voor een baan in de steden. Deze gezinnen zouden hun werkzekerheid en medische sociale voorzieningen verliezen. Zij werden de laagste klasse onder de boeren en zelfs de verstotenen onder de tweederangsburgers.

Na de vervolging van de intellectuelen ontwikkelden enkele geleerden een gespleten persoonlijkheid. Ze volgden netjes de ‘Rode Zon’ en werden de CCP’s ‘geleerden aan het hof’ die precies zeiden en deden wat de CCP van hen vroeg. Anderen begonnen zich afzijdig te houden en bleven ver uit de buurt van politieke aangelegenheden. Sindsdien zijn de Chinese intellectuelen, die van oudsher een sterk verantwoordelijkheidsgevoel hadden ten aanzien van het land, het zwijgen opgelegd.

V. ‘De Grote Sprong Voorwaarts' - Leugens fabriceren om de loyaliteit van het volk te testen

Na de ‘anti-Rechtse campagne’ werd China bang van alles wat met de waarheid te maken had. Iedereen deed mee met het luisteren naar leugens, het vertellen van leugens, het verzinnen van valse verhalen en het vermijden en bedekken van de waarheid met onwaarheden en geruchten. ‘De Grote Sprong Voorwaarts’[7] was een collectieve nationale oefening in liegen. In het hele land deden mensen vele idiote dingen onder de leiding van het kwaadaardige CCP-spook. Zowel degenen die voorgelogen werden als de leugenaars zelf werden misleid. In deze campagne van leugens en belachelijke acties plantte de CCP haar gewelddadige en kwaadaardige wortels in de spirituele wereld van het Chinese volk. Toentertijd zongen veel mensen de liederen die ‘De Grote Sprong Voorwaarts’ promootten: “Ik ben de Jadekeizer en ik ben de Drakenkoning. Ik beveel de ‘Drie Gebergten en de Vijf Kloven’ opzij te gaan, hier kom ik!”[8] Jaar in jaar uit werd getracht een beleid te voeren van ‘het verwezenlijken van een graanproductie van 75.000 kg per hectare’, ‘het verdubbelen van de staalproductie‘, en ‘het voorbij streven van Engeland binnen 10 jaar en de V.S. binnen 15 jaar’. Dit beleid resulteerde in een gigantische hongersnood die miljoenen mensen het leven kostte.

Wie onder de deelnemers van de achtste voltallige vergadering van het Centraal Comité van de CCP in Lushan in 1959 was het niet eens met generaal Peng Dehuai’s[9] opvatting dat ‘De Grote Sprong Voorwaarts’ die door Mao Zedong was ingezet belachelijk was? Mao’s beleid steunen of niet betekende echter het verschil tussen loyaliteit en verraad, het verschil tussen leven en dood. In een verhaal uit de Chinese geschiedenis beweerde Zhao Gao[10] dat een hert een paard was, terwijl hij het verschil tussen een hert en een paard wel degelijk wist, maar hij het hert opzettelijk een paard noemde om de publieke opinie te beheersen, discussies te beëindigen en zijn macht uit te breiden. Het eindresultaat van de voltallige vergadering in Lushan was dat zelfs Peng Dehuai gedwongen werd een resolutie te tekenen waarin hij zichzelf veroordeelde en zich verwijderde uit de centrale regering. Zo werd ook tijdens de latere jaren van de Culturele Revolutie Deng Xiaoping gedwongen te beloven dat hij nooit beroep zou aantekenen tegen de beslissing van de regering om hem van zijn post te verwijderen.

Een maatschappij vertouwt op ervaringen uit het verleden om de wereld te begrijpen en zich te ontwikkelen. De CCP heeft het volk die kans echter ontnomen. De officiële censuur op de media heeft alleen maar bijgedragen aan het verder verlagen van de capaciteiten van het volk om goed en kwaad van elkaar te kunnen onderscheiden. Na iedere politieke campagne hebben de jongere generaties altijd uitsluitend de verbloemde versie van de Partij te horen gekregen, maar nooit de analyses, idealen, ervaringen en inzichten van de vorige generaties. Bijgevolg heeft het volk slechts versnipperde informatie gekregen om haar geschiedenis te begrijpen en om nieuwe gebeurtenissen te beoordelen en leeft men in de veronderstelling gelijk hebben terwijl men in feite duizenden kilometers van de waarheid af zit. De CCP heeft haar beleid om het volk in onwetendheid te houden met verve uitgevoerd.

VI. De Culturele Revolutie - Een kwaadaardige bezetenheid die de wereld op haar kop zet

De Culturele Revolutie[11] was een grootse uitvoering van het communistische spook die heel China in haar ban had. In 1966 trok er een nieuwe golf van geweld door het land en een Rode Terreur die niet te stoppen was bewoog hemel en aarde. De schrijver Qin Mu beschreef de Culturele Revolutie in kille termen:
Het was waarlijk een ramp zonder weerga: [de CCP] sloot miljoenen mensen op vanwege hun relatie met een familielid [die doelwit was], beëindigde het leven van miljoenen meer, dreef gezinnen uit elkaar, maakte van kinderen vandalen en boeven, verbrandde boeken, maakte oude gebouwen met de grond gelijk, vernielde de rustplaatsen van geleerden uit de oudheid, en pleegde daarmee allerlei misdrijven in de naam van de revolutie.[12]
Voorzichtige ramingen schatten het aantal onnatuurlijke sterfgevallen in China tijdens de Culturele Revolutie op 7,73 miljoen.Mensen denken vaak onterecht dat het geweld en de slachtingen tijdens de Culturele Revolutie veelal gedurende de rebellenbewegingen plaatsvonden en dat het de Rode Garde[13] en de rebellen waren die de moorden pleegden. Echter duizenden officieel gepubliceerde Chinese provinciale jaarboeken geven aan dat het hoogtepunt van onnatuurlijke sterfgevallen tijdens de Culturele Revolutie niet in 1966 was, toen de Rode Garde de meeste regeringsorganisaties beheerste, noch in 1967 toen de gewapende rebellen met verschillende groeperingen vochten, maar veeleer in 1968 toen Mao de heerschappij over het hele land herwon. De moordenaars in deze beruchte gevallen waren vaak legerofficieren en soldaten, gewapende burgerwachten, en CCP-leden binnen alle lagen van de overheid.

De voorbeelden die volgen maken duidelijk dat het geweld tijdens de Culturele Revolutie het beleid was van de CCP en de regionale regering en niet louter het extreme gedrag van de Rode Garde. De CCP heeft de directe aansporing van en betrokkenheid door Partij- en regeringsleden bij dat geweld stilgehouden.

In augustus 1966 verdreef de Rode Garde inwoners van Beijing die in vorige campagnes geclassificeerd waren als ‘landeigenaren, rijke boeren, reactionairen, kwaadaardige elementen, en Rechtsen’ en dwong hen naar het platteland te vertrekken. Onvolledige officiële statistieken toonden aan dat 33.695 huizen werden doorzocht en dat 85.196 inwoners van Beijing uit de stad werden verdreven en teruggestuurd naar de plaats waar hun ouders oorspronkelijk vandaan kwamen. De Rode Garde in de rest van het land volgde dit voorbeeld, waardoor er meer dan 400.000 stadsbewoners naar het platteland werden verdreven. Zelfs hooggeplaatste ambtenaren wiens ouders landeigenaren waren, hadden te kampen met verbanning naar het platteland.

In werkelijkheid had de CCP de verbanningscampagne al gepland vóór de aanvang van de Culturele Revolutie. Voormalig burgermeester van Beijing, Peng Zhen, stelde dat de inwoners van Beijing ideologisch zuiver als ‘glazen ramen en kristallen’ zouden moeten zijn, waarmee hij bedoelde dat alle inwoners met de verkeerde klassenachtergrond uit de stad verdreven zouden worden. In mei 1966 beviel Mao zijn onderdanen om ‘de hoofdstad te beschermen’. Een werkteam werd opgezet, geleidt door Ye Jianying, Yang Chengwu en Xie Fuzhi. Een van de taken van dit team was de politiekrachten te gebruiken om inwoners van Beijing met een ‘foute’ klassenachtergrond te verdrijven.

Deze geschiedenis maakt duidelijk waarom afdelingen van regering en politie hun beschermende functie niet op zich namen, maar eerder meewerkten met de Rode Garde om huiszoekingen te houden en uiteindelijk meer dan 2% van de inwoners van Beijing te verbannen. Xie Fuzhi, toen minster van Openbare Veiligheid, eiste dat de politie de acties van de Rode Garde niet zouden verstoren maar hen juist zouden adviseren en informeren. De Rode Garde werd eenvoudigweg door de Partij gebruikt om een geplande actie uit te voeren en werd vervolgens eind 1966 door de CCP in de steek gelaten. Velen werden bestempeld als antirevolutionairen en gevangen genomen, terwijl anderen naar het platteland werden gestuurd om samen met andere stedelijke jongelingen arbeid te verrichten en hun gedachten te ‘hervormen’. De organisatie van de Rode Garde van de Westelijke Stad die de verbanning van stadsinwoners leidde, werd opgericht onder de ‘zorgzame’ begeleiding van de CCP-leiders. Het bevel om de leden van deze Rode Garde te beschuldigen werd eveneens na herziening uitgevaardigd door de secretaris-generaal van de Staatsraad.

Na de verhuizing van de inwoners van Beijing met een ‘slechte’ klasse-achtergrond begon in de plattelandsgebieden een tweede ronde van klassenvervolging. Op 26 augustus 1966 werd aan de politiemacht van Daxing een redevoering van Xie Fuzhi doorgespeeld. Xie beval de politiemacht om de Rode Garde te helpen bij het doorzoeken van de huizen van de ‘vijf zwarte klassen’ (landeigenaren, rijke boeren, reactionairen, slechte elementen, en Rechtsen) door het verstrekken van advies en informatie, en door hen te helpen bij hun razzia’s. Het beruchte ‘Daxing Bloedbad’[14] vond plaats onder directe instructies van het politiecommissariaat; de organisatoren waren het hoofd en de CCP-secretaris van het politiedepartement en de moordenaars, die zelfs geen kinderen spaarden, waren voornamelijk burgerwachten.

Velen werden de CCP binnengelaten vanwege hun ‘goed gedrag’ tijdens dit soort slachtingen. Volgens incomplete statistieken van de provincie Guangxi namen ongeveer 50.000 CCP-leden deel aan de slachtingen. Meer dan 9000 van hen werden de Partij binnengelaten vlak nadat ze iemand hadden vermoord, meer dan 20.000 pleegden een moord nadat ze waren toegelaten tot de Partij, en meer dan 19.000 andere Partijleden waren op een of andere wijze betrokken bij het vermoorden van burgers.


Tijdens de Culturele Revolutie werd de ‘klassentheorie’ ook toegepast op afranselingen. De slechten verdienden het wanneer zij geslagen werden door de goeden. Het werd als eervol beschouwd voor een slecht persoon om een ander slecht persoon te slaan. Het was een misverstand als een goed persoon een ander goed persoon sloeg. Deze theorie werd door Mao bedacht en was wijd verspreid onder de rebellenbewegingen. Geweld en slachtingen werden de norm dankzij de redenering dat de vijanden van de klassenstrijd eender welke vorm van geweld die ze te verduren kregen, verdiend hadden.

Van 13 augustus tot 7 oktober 1967 slachtte de burgerwacht in het district Dao van de provincie Hunan de leden af van de ‘Xianjiang Wind en Donder’ organisatie en leden van de ‘vijf zwarte klassen’. De slachting duurde 66 dagen; meer dan 4519 mensen uit 2778 gezinnen werden vermoord in 468 brigades (administratieve dorpen) van 36 gemeenschappen in 10 gebieden. In het gehele gebied dat uit 10 districten bestond, werden in totaal 9093 mensen vermoord, waarvan 38% behoorde tot de ‘vijf zwarte klassen’ en waarvan 44% kinderen waren. De oudste persoon die gedood werd was 78 jaar oud en de jongste was slechts 10 dagen oud.

Dit is slechts één voorval van geweld in een klein gebied gedurende de Culturele Revolutie. Nadat het Revolutionaire Comité begin 1968 was opgericht, werden in het binnenland van Mongolië bij het zuiveren van klassenrangen en het reinigen van de verzonnen ‘Revolutionaire Volkspartij van het Binnenland van Mongolië’ 350.000 mensen vermoord. In 1968 deden tienduizenden mensen in de provincie Guangxi mee aan de massale afslachting van de rebellengroepering ‘422’ en vermoordden daarbij meer dan 110.000 mensen.

Deze voorbeelden tonen aan dat die grote gewelddadige moordpartijen tijdens de Culturele Revolutie allemaal een gevolg waren van directe aansporingen en instructies van de leiders van de CCP, die geweld gebruikten en aanmoedigden om haar burgers te vervolgen en te vermoorden. De moordenaars die rechtstreeks betrokken waren bij het bevelen en het uitvoeren van de slachtingen waren voornamelijk leden van het leger, de politie, de gewapende burgerwacht en sleutelfiguren binnen de Partij en de Jeugdliga.

Als de CCP tijdens de landhervorming de boeren gebruikte om de landeigenaren ten gronde te richten en het land te bemachtigen, tijdens de industriële en commerciële hervormingen de arbeidersklasse gebruikte om de kapitalisten omver te gooien en het kapitaal te bemachtigen, en tijdens de anti-Rechtse campagne alle intellectuelen elimineerde die er een andere mening op na hielden, wat was dan het doel van al die slachtingen tijdens de Culturele Revolutie? De CCP gebruikte de ene groep om de andere uit te moorden en schonk niet één klasse haar vertrouwen. Zelfs als men tot de arbeiders en de boeren behoorde, de twee klassen waar de Partij op gesteund had in het verleden, was iemands leven nog in gevaar als zijn standpunt verschilde van dat van de Partij. Dus waar was het uiteindelijk allemaal voor bedoeld? Het doel was om het communisme op te richten als de enige echte religie die het gehele land zou overheersen en daarmee niet alleen de staat zou besturen maar tevens de opvattingen van ieder individu.

De Culturele Revolutie duwde de CCP en Mao Zedong’s persoonlijkheidscultus naar een hoogtepunt. De theorie van Mao moest worden gebruikt om alles te dicteren en de visie van één persoon moest worden verankerd in de gedachten van tienduizenden mensen. De Culturele Revolutie, iets dat nooit eerder voorgekomen was en nimmer geëvenaard zou worden, vermeldde bewust nooit precies wat niet gedaan mocht worden. In plaats daarvan benadrukte de Partij “wat kan worden gedaan en hoe dat te doen. Alles wat buiten deze grens valt kan niet worden gedaan en zelfs niet worden overwogen.”

Tijdens de Culturele Revolutie voerde iedereen in het land een religieachtig ritueel uit: “Vraag de Partij om instructies in de ochtend en rapporteer aan de Partij in de avond, groet voorzitter Mao meerdere malen per dag en wens hem een eindeloos lang leven en zeg dagelijks politieke ochtend- en avondgebeden op.” Nagenoeg iedereen die kon lezen en schrijven werd snel bekend met de plicht om zelfkritiek en gedachterapporten te schrijven. Citaten van Mao zoals de volgende, werden veelvuldig opgezegd: “Strijd meedogenloos tegen iedere gedachte van zelfzuchtigheid die voorbijkomt”, “Voer instructies uit of je ze begrepen hebt of niet en verdiep je begrip tijdens het uitvoeren ervan.”

Slechts één ‘god’ (Mao) mocht aanbeden worden; slechts één soort ‘heilig geschrift’ (Mao’s leer) mocht bestudeerd worden. Al snel ontwikkelde dit proces van het ‘vergoddelijken’ zich tot een dergelijke hoogte dat mensen niet eens voedsel konden kopen in kantines zonder een citaat van Mao op te zeggen of Mao een groet te brengen. Men moest Mao citeren wanneer men aan het winkelen was, de bus pakte en zelfs wanneer men telefoneerde, ook al was het volledig irrelevant. In deze aanbiddingsrituelen gedroeg men zich hetzij cynisch hetzij fanatiek, maar in beide gevallen verkeerde men reeds onder de invloed van het kwaadaardige communistische spook. Leugens verzinnen, leugens aanvaarden en zich op leugens beroepen werd zo de manier van leven voor de Chinese bevolking.

VII. Hervorming en openstelling - Het geweld duurt voort

De Culturele Revolutie was een tijd van bloedvergieten, moord, verdriet, gewetensverlies en het verwarren van goed en kwaad. Na de Culturele Revolutie wisselde het CCP-regime dikwijls van beleid en de regering veranderde zes keer van samenstelling in 20 jaar. Privé-bezit bestaat weer in China, de verschillen in levensstandaard tussen stedelijke en plattelandsgebieden zijn groter geworden, het woestijngebied heeft zich snel uitgebreid, rivieren zijn opgedroogd en het druggebruik en de prostitutie zijn toegenomen. Al de misdaden waar de CCP zo tegen vocht worden nu weer toegelaten.

Het meedogenloze hart van de CCP, haar verwrongen aard, haar kwaadaardige zetten en haar capaciteit om het hele land naar de afgrond te brengen, namen alleen maar toe. Tijdens het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 zette de Partij het leger en tanks in om studenten te vermoorden die op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing aan het protesteren waren. De venijnige vervolging van Falun Gong beoefenaars zo mogelijk nog erger. In oktober 2004 mobiliseerde de stad Yulin in de provincie Shaanxi meer dan 1600 man oproerpolitie om land van de boeren af te pakken en arresteerde en schoot daarbij meer dan 50 boeren neer. De politieke heerschappij van de Chinese regering blijft vertrouwen op de CCP-filosofie van strijd en geweld. Het enige verschil met het verleden is dat de Partij nog misleidender is geworden.

Het maken van wetten

De CCP is nooit gestopt met het creëren van conflicten onder het volk. Zij heeft een groot aantal leden van de bevolking vervolgd als zijnde reactionairen, antisocialisten, slechte elementen, en kwaadaardige sekteleden. De totalitaire aard van de CCP blijft botsen met alle andere burgergroeperingen en -organisaties. Onder het mom van ‘de orde handhaven en de maatschappelijke rust behouden’ heeft de Partij de wet, de grondwet, en allerlei reglementeringen voortdurend veranderd en heeft zij allen die het oneens zijn met de regering vervolgd als zijnde reactionairen.

In juli 1999 nam Jiang Zemin, tegen de wil van de meeste andere Politbureauleden in, de persoonlijke beslissing om Falun Gong in drie maanden te elimineren; laster en leugens verspreidden zich snel doorheen het hele land. Nadat Jiang Zemin in een interview met de Franse krant Le Figaro Falun Gong openlijk ervan beschuldigde een ‘kwaadaardige sekte’ te zijn, sprong de officiële Chinese propaganda op dezelfde trein. Door snel een aantal artikelen te publiceren werd iedereen in het land onder druk gezet om zich tegen Falun Gong te keren. Het Nationale Volkscongres werd gedwongen een nietszeggende beslissing te aanvaarden die kwaadaardige sektes zou aanpakken; kort daarop publiceerden het hooggerechtshof en het Opperste Volksprocuraat gezamenlijk een ‘verklaring’ met betrekking tot ‘de beslissing’.

Op 22 juli 1999 publiceerde het Xinhua Persbureau toespraken van CCP-leiders van het Ministerie van Organisatie en van het Ministerie van Propaganda, waarin Jiang’s vervolging van Falun Gong openlijk werd gesteund. De Chinese bevolking raakte verwikkeld in de vervolging enkel en alleen omdat het een beslissing was van de Partij. Zij kunnen alleen maar bevelen opvolgen en durven geen bezwaren te uiten.

De afgelopen vijf jaar heeft de regering 25% van de financiële bronnen van de staat gebruikt om de geschatte 70 à 100 miljoen Falun Gong beoefenaars te vervolgen. Iedereen in het land heeft een test moeten afleggen; de meesten die toegaven Falun Gong te beoefenen maar niet bereid waren de beoefening op te geven, hebben hun baan verloren; sommigen zijn tot dwangarbeid veroordeeld. De Falun Gong beoefenaars hebben geen enkele wet overtreden, noch hebben zij hun land verraden of zich tegenover de regering gezet; zij geloofden slechts in “Waarachtigheid, Mededogen en Verdraagzaamheid”. Honderdduizenden werden gevangen genomen. Ondanks de strenge informatieblokkade van de CCP hebben familieleden de marteldood van meer dan 2700 Falun Gong beoefenaars bevestigd; het werkelijke dodental ligt veel hoger.[15]

Nieuwsberichtgevingen

Op 15 oktober 2004 rapporteerde Wenweipao vanuit Hong-Kong dat China’s twintigste satelliet naar de aarde was teruggekeerd en op het huis van Huo Jiyu neergestort was in de stad Penglai in het Dayin district van de provincie Sichuan. Het rapport citeerde kantoordirecteur Ai Yuqing van het Dayin district die zei dat bevestigd werd dat de ‘zwarte klomp’ de satelliet is. Ai zelf was de plaatselijke assistent-coördinator van het satelliet-landingsproject. Het Xinhua Persbureau vermeldde echter alleen maar het tijdstip waarop de satelliet teruggevonden was en legde de nadruk op het feit dat dit de twintigste wetenschappelijke en experimentele satelliet was die China had teruggevonden. Het persbureau vermeldde geen woord over het feit dat de satelliet een huis had verwoest. Dit is een typisch voorbeeld van de praktijken van de Chinese media om – naar de richtlijnen van de Partij – voortdurend en alleen het goede nieuws te melden en het slechte achterwege te laten. Laster en leugens verspreid via kranten en televisie hebben het uitvoeren van het beleid van de CCP tijdens alle politieke campagnes in het verleden flink geholpen. De orders van de Partij worden meteen uitgevoerd door de media in het hele land. Toen de Partij een anti-Rechtse politieke campagne wilde beginnen, spraken de media in heel China als één stem over de misdaden van de Rechtsen. Toen de Partij de gemeenschappelijke communes onder het volk wilde opzetten, begon iedere krant in het land de superioriteit van volkscommunes aan te prijzen. Tijdens de eerste maand van de vervolging van Falun Gong belasterden alle radio- en televisiestations Falun Gong herhaaldelijk in de nieuwsuitzendingen met de bedoeling het volk te hersenspoelen. Sindsdien heeft Jiang Zemin alle media herhaaldelijk ingezet om leugens en laster te fabriceren en te verspreiden over Falun Gong, waaronder de poging om in het hele land haat op te wekken tegen Falun Gong door valse informatie te verzinnen over Falun Gong beoefenaars, als zouden zij moorddadige en suïcidale sujetten zijn. Een voorbeeld van zo’n vals en onbetrouwbaar bericht is het in scène gezette zelfverbrandingsincident[16] op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing. Dit incident werd door de niet-gouvernementele organisatie ‘International Educational Development Organisation’ bekritiseerd en aangemerkt als een door de Chinese regering op touw gezette actie om mensen te misleiden. In de afgelopen vijf jaar heeft geen enkele krant of televisiezender in China ooit de waarheid over Falun Gong gerapporteerd.

Chinezen zijn gewend geraakt aan de onechte nieuwsberichten. Een ervaren journalist van het Xinhua Persbureau heeft ooit eens gezegd: “Hoe kan je een bericht van Xinhua vertrouwen?” Er zijn zelfs mensen die de Chinese nieuwsbronnen beschrijven als de hond(en) van de Partij. Een volkslied zegt: “Het is een hond die door de Partij is grootgebracht en die de ingang van de Partij bewaakt. Hij bijt iedereen van wie de Partij wil dat hij gebeten wordt en hij bijt zo vaak als de Partij dat wil.”

Onderwijs

In China werd onderwijs het zoveelste middel om het volk onder controle te krijgen. Het oorspronkelijke doel van onderwijs is om intellectuelen groot te brengen die zowel kennis bezitten als een correct oordeel kunnen vellen. Kennis verwijst hier naar het kunnen begrijpen van informatie, data en historische gebeurtenissen; oordeel verwijst naar het proces van analyseren, onderzoeken, bekritiseren en het voortbrengen van zulke kennis – een proces van spirituele ontwikkeling. Iemand met veel kennis maar zonder gepast oordeel wordt beschouwd als een boekenwurm en niet als de echte intellectueel met het sociale geweten. Dit is de reden waarom in de geschiedenis van China de intellectuelen met een rechtschapen oordeel en niet die met enkel kennis altijd hoog aanzien hebben genoten. Onder de heerschappij van de Partij zit China nu echter vol met intellectuelen die wel de kennis hebben maar geen oordeel, of die geen oordeel durven uit te spreken. Het schoolonderwijs is erop gericht studenten te leren geen dingen te doen die de Partij niet wilde dat zij deden.

Tegenwoordig gebruiken alle scholen standaard tekstboeken om politieke aangelegenheden en de Partijgeschiedenis te doceren. De leraren geloofden de inhoud van de boeken niet, maar werden door de Partij gedwongen om ze tegen hun wil in te gebruiken. De studenten geloofden noch de tekstboeken noch hun leraren, maar moesten alles van buiten kennen om de examens te kunnen slagen. Vrij recent werden er vragen over Falun Gong opgenomen in de toelatingsexamens van universiteiten en middelbare scholen. Studenten die de standaard antwoorden niet weten, krijgen niet de benodigde cijfers om hoog aangeschreven universiteiten of middelbare scholen binnen te komen. Als een student de waarheid durft te spreken, wordt hij onmiddellijk van school gestuurd en verliest hij elke kans op formeel onderwijs. Vanwege de invloed van kranten en regeringsdocumenten zijn er in het publieke onderwijsstelsel vele bekende gezegden en uitdrukkingen verspreid voor waarheid, zoals een citaat van Mao: “Alles waar de vijand tegen is zouden we moeten ondersteunen en alles wat de vijand ondersteunt, zouden we tegen moeten zijn.” Het negatieve effect is wijdverspreid: het heeft de harten van de mensen vergiftigd, de edelmoedigheid is ermee verdrongen en de morele principes van het leven in vrede en harmonie zijn vernietigd.

In 2004 analyseerde het China Informatie Centrum een onderzoek dat door het Chinese Sina Net was uitgevoerd. Gegevens daarvan tonen aan dat 82,6% van de Chinese jeugd het ermee eens is dat tijdens een oorlog vrouwen, kinderen en gevangenen mishandeld mogen worden. Dit resultaat is schokkend. Het toont echter de mentaliteit aan van het Chinese volk en vooral van de jongere generatie die noch enig besef heeft van een traditioneel cultureel concept als edelmoedigheid noch van universele menselijkheid.

Op 11 september 2004 slachtte een man in de stad Suzhou op een bezeten manier 28 kinderen af met een mes. Op de twintigste van diezelfde maand verwondde een man in de provincie Shandong 25 kinderen op een lagere school met een mes. Enkele leraren van de lagere school dwongen leerlingen met hun handen voetzoekers en (zeven)klappers te maken om geld in te zamelen voor de school, wat uitliep op een ontploffing waarbij meerdere leerlingen het leven lieten.

Het verwezenlijken van het beleid

Om de uitvoering van haar plannen zeker te stellen, heeft de leiding van de CCP vaak gebruik gemaakt van dwang en dreigementen. Een van de middelen die ze daarbij gebruikte was de politieke slogan. Gedurende lange tijd gebruikte de CCP het aantal opgehangen slogans als criterium om iemands politieke successen te bepalen. Tijdens de Culturele Revolutie werd Beijing binnen afzienbare tijd één grote ‘Rode Zee’ van posters met overal de slogan: “Weg met de heersende kapitalisten in de Partij”. Ironisch genoeg werden de slogans op het platteland verkort tot “Weg met de heersende partij”.

Om de boswetgeving te promoten gaf het Ministerie van Staatsbosbeheer onlangs al haar depots en kantoren het strikte bevel om een minimum aantal slogans uit te vaardigen. Het niet halen van dat quotum zou worden gezien als het niet vervullen van de taak. Als gevolg hingen lokale regeringskantoren een groot aantal slogans op, waaronder: “Wie de berg in brand steekt, gaat de gevangenis in”. Het Ministerie voor Geboortebeperking kwam de afgelopen jaren met merkbaar schrikwekkender slogans op de proppen, zoals: “Als één persoon de wet overtreedt, wordt heel het dorp gesteriliseerd”, “Liever een graf erbij dan een baby”, of “Als hij geen vasectomie ondergaat zoals hij zou moeten, wordt zijn huis vernield; als zij geen abortus ondergaat zoals zij zou moeten, worden haar koeien en rijstevelden ingenomen”.[17] Er waren meer slogans die de rechten van de mens en de grondwet schonden, zoals: “Als je vandaag geen belasting betaalt, slaap je morgen in de gevangenis”.

Een slogan is in feite een manier van adverteren, maar dan op een meer directe en repetitieve wijze. Vandaar dat de Chinese regering vaak ‘slogans’ gebruikt om politieke ideeën, overtuigingen en standpunten te promoten. Politieke slogans kunnen ook beschouwd worden als de woorden die de regering uitdraagt naar haar mensen. Bij de beleidspromotende slogans van de CCP is het echter niet moeilijk de wrede en gewelddadige ondertoon aan te voelen.

VIII. Het land hersenspoelen en omvormen tot een 'mentale gevangenis'

Het meest effectieve wapen dat de CCP gebruikt om haar tirannieke heerschappij in stand te houden is haar controlesysteem. De CCP legt op een ‘goed’ georganiseerde manier een mentaliteit van gehoorzaamheid op aan ieder van haar burgers. Of de Partij zichzelf nu tegenspreekt of voortdurend van koers verandert doet niet terzake, zolang zij maar systematisch een manier kan vinden om het volk haar mensenrechten te ontzeggen. De voelsprieten van het reime zijn alomtegenwoordig. Zowel op het platteland als in de stad wordt de burger geleid door het zogenaamde straat- of buurtcomité.[18] Tot voor kort kon trouwen, scheiden en het hebben van een kind slechts gebeuren met de goedkeuring van deze comités. De ideologie van de Partij, haar manier van denken, haar organisaties, haar sociaal-maatschappelijke structuur, haar propagandamachines en haar administratieve structuur dienen slechts haar dictatoriale doeleinden. Door de verschillende lagen van het bestuur heen streeft de Partij erna om alle gedachten en handelingen van ieder individu te controleren.

Hoe wreed de CCP haar bevolking ook beheerst, zij beperkt zich niet tot fysiek geweld. De Partij dwingt de burger zijn vermogen tot onafhankelijk denken te verliezen en maakt van hem een bange, zelfzuchtige lafaard die nooit wat durft te zeggen. Het doel van de heerschappij van de CCP is al haar burgers te hersenspoelen zodat zij zullen denken en spreken zoals de CCP dat doet en doen wat de CCP promoot.

Er is een gezegde: “Het Partijbeleid is als de maan: het verandert elke 15 dagen.” Het doet er niet toe hoe vaak de Partij haar beleid verandert, iedereen in het land moet het keurig volgen. Wanneer je gebruikt wordt als een middel om anderen aan te vallen, moet je de Partij bedanken voor het waarderen van jouw kracht; wanneer je geschaad wordt, moet je de Partij bedanken voor het feit dat ze je een les heeft geleerd; wanneer je onterecht wordt beschuldigd en de Partij maakt het later goed, dan moet je de Partij bedanken voor het feit dat zij zo gul, ruimdenkend en in staat is om haar fouten te corrigeren. De tirannie van de CCP teert op de voortdurende cycli van onderdrukking en herstel.

De CCP-campagne om het volk te hersenspoelen is absurd, wreed en verachtelijk, doch alomtegenwoordig. Zij heeft de morele waarden en principes van de Chinese samenleving verwrongen en de levensstijl en gedragsnormen van het volk volledig herschreven. De CCP gebruikt aanhoudend mentale en fysieke martelpraktijken om haar absolute autoriteit om China met de allesomvattende ‘CCP-religie’ te overheersen, te versterken.

Besluit

Waarom moet de CCP onophoudelijk strijden om haar macht te behouden? Waarom gelooft de CCP dat zolang er leven is, er eeuwig strijd zal zijn? Om haar doelen te bereiken aarzelt de CCP niet om mensen te vermoorden of de ecologische omgeving te vernielen, noch kan het de CCP wat schelen dat de meerderheid van de boeren en vele stadsbewoners in armoede leven.

Is het voor de ideologie van het communisme dat de CCP een eindeloze strijd voert? Het antwoord is “neen”. Eén van de principes van de Communistische Partij is de afschaffing van het privé-bezit, wat de CCP probeerde te doen toen ze aan de macht kwam. De CCP geloofde dat privé-bezit de oorzaak was van alle kwaad. Na de economische hervorming van de jaren ‘80 werd privé-eigendom echter opnieuw toegelaten in China en werd het beschermd door de grondwet. Als men de leugens van de CCP doorboort, kan men na 55 jaar CCP-heerschappij duidelijk zien dat de zogenaamde eigendomsherverdeling niet meer was dan een geënsceneerd drama. Na verschillende cycli van dergelijke eigendomsherverdeling heeft de CCP het kapitaal van anderen eenvoudigweg tot haar eigen privé-bezit gemaakt.

De CCP beweert van zichzelf dat ze de ‘pionier van de werkende klasse’ is. Haar taak is het elimineren van de kapitalistische klasse. Vandaag de dag laat de CCP echter onmiskenbaar en bij wet toe dat kapitalisten zich bij de Partij aansluiten. Leden van de CCP geloven niet langer in de Partij en in het Communisme, en het bestaan van de CCP is bijgevolg niet langer te verantwoorden. Wat rest van de Communistische Partij is slechts een leeg omhulsel zonder de oorspronkelijk geclaimde inhoud.

Diende het lange termijn gevecht om de leden van de CCP te vrijwaren van corruptie? Neen. Na 55 jaar CCP-heerschappij zijn corruptie, verduistering, onwettelijk gedrag en daden die natie en volk schaden nog steeds wijd verspreid onder de CCP-functionarissen in het hele land. In recente jaren werden op een totaal van ongeveer twintig miljoen Partijfunctionarissen in China, er acht miljoen berecht en gestraft voor misdaden gerelateerd aan corruptie. Elk jaar klagen ongeveer een miljoen mensen bij de hogere autoriteiten over corrupte ambtenaren naar wie geen onderzoek werd ingesteld. Van januari tot september 2004 heeft het Chinese Bureau voor Buitenlandse Geldwissels gevallen onderzocht van onwettige vergunningen voor buitenlandse wissels in 35 banken en 41 bedrijven, en heeft het illegale transacties ontdekt ter waarde van 120 miljoen dollar. Uit recente statistieken blijkt dat er de laatste jaren niet minder dan 4000 CCP-ambtenaren het land uitgevlucht zijn met verduisterd geld. De totale som die zij van de staat hebben gestolen loopt in de tientallen miljarden dollars.

Diende de ‘strijd’ om het bewustzijn en de opleiding van het volk te verhogen en om hen geïnteresseerd te houden in nationale aangelegenheden? Het antwoord is opnieuw een welluidend “neen”. In het hedendaagse China woekert het winstbejag verwoed en men verliest de traditionele deugd van de eerlijkheid. Het is een alledaagse zaak geworden om de familie te bedriegen en vrienden op te lichten. Vele Chinezen trekken zich ofwel niets aan van belangrijke zaken zoals de mensenrechten of de vervolging van Falun Gong ofwel willen ze er gewoon niet over spreken. Het voor zich houden van gedachten en het verkiezen de waarheid onuitgesproken te laten, zijn basisoverlevingsvaardigheden geworden in het hedendaagse China. Ondertussen heeft de CCP herhaaldelijk de nationalistische gevoelens van het volk aangewakkerd bij verschillende aangelegenheden. De CCP kan bijvoorbeeld Chinezen organiseren om met stenen te gooien naar de Amerikaanse of Japanse ambassade of om vlaggen van de V.S. en Japan te verbranden. Het Chinese volk wordt ofwel als gehoorzamende massa ofwel als gewelddadig gepeupel behandeld, maar nooit als staatsburgers met gegarandeerde mensenrechten. Culturele vooruitgang is de basis voor het verheffen van het bewustzijn onder het volk. De ethiek van Confucius en Mencius hebben gedurende duizenden jaren morele normen en principes bepaald. “Als al deze [morele] principes worden opgegeven dan zouden de mensen geen wetten hebben om te volgen, en goed en kwaad niet van elkaar kunnen onderscheiden. Ze zouden hun richting verliezen… de Tao zou vernield worden.”[19]

Het doel van de klassenstrijd van de CCP is een onophoudelijke chaos te creëren, waardoor zij zichzelf stevig in het zadel kan hijsen als de enige echte partij en religie in China en op die wijze het Chinese volk te doordringen van haar ideologie. Regeringsinstellingen, het leger en de media zijn de middelen die de CCP gebruikt om haar gewelddadige dictatuur uit te oefenen. De CCP staat, na ongeneeslijke kwalen over China afgeroepen te hebben, zelf op de rand van de afgrond en haar ondergang is onvermijdelijk.

Sommige mensen maken zich zorgen dat het land in chaos zal vervallen wanneer de CCP uiteenvalt. Wie zal de rol van de CCP overnemen in het bestuur van China? Vergeleken met de 5000-jarige geschiedenis van China is de 55 jaar CCP-dictatuur even snel gepasseerd als een voorbijgaande wolk. Ongelukkig genoeg heeft de CCP tijdens deze korte 55 jaren het traditionele geloof en alle normen aan diggelen geslagen, de traditionele moraal en sociale structuren vernietigd, zorg en liefde tussen mensen onderling omgesmeed tot strijd en haat, en de verering van hemel, aarde en natuur vervangen door de arrogantie van ‘de mens beheerst de natuur’. Met de ene destructieve daad na de andere heeft de Partij sociale, morele en ecologische systemen verwoest waardoor China achterblijft in een diepe crisis.

Elke goedwillende leider uit de Chinese geschiedenis beschouwde het liefhebben, voeden en onderwijzen van het volk als de plicht van de overheid. De menselijke natuur neigt naar vriendelijkheid en de rol van de regering is het naar buiten brengen van deze aangeboren menselijke capaciteit. Mencius zei: “Dit is de weg van het volk: diegenen met standvastige bestaansmiddelen zullen standvastige harten hebben, terwijl diegenen zonder standvastige bestaansmiddelen geen standvastige harten zullen hebben.”[20] Opvoeding zonder welvarendheid is inefficiënt gebleken; tirannieke leiders die geen liefde voor het volk kenden en onschuldigen ombrachten werden veracht door het Chinese volk.

Gedurende de 5000-jarige Chinese geschiedenis zijn er vele edelmoedige leiders geweest, zoals keizer Yao en keizer Shun in de oudheid, keizer Wen en keizer Wu van de Zhou Dynastie, keizer Wen en keizer Jing in de Han Dynastie, keizer Tang Taizong in de Tang Dynastie en keizer Kangxi en keizer Qianlong in de Qing Dynastie. De voorspoed die onder deze dynastieën werd genoten was allemaal het resultaat van de leiders die de hemelse Tao beoefenden, de doctrine van de gulden middenweg volgden, en streefden naar vrede en stabiliteit. Het ligt in de aard van een goedaardige leider om gebruik te maken van deugdzame en capabele mensen, open te staan voor andere meningen, gerechtigheid en vrede te promoten, en om het volk te schenken wat het nodig heeft. Langs deze weg zullen de burgers de wet gehoorzamen, een gevoel van waardigheid onderhouden, gelukkig door het leven gaan en efficiënt hun werk uitvoeren.

Als we de globale zaken bekijken, dan vragen we ons vaak af wie bepaalt of een natie zal bloeien of verdwijnen, ook al weten we dat de opkomst en de val van een natie hun redenen hebben. Wanneer de CCP verdwenen is kunnen we verwachten dat vrede en harmonie zullen terugkeren naar China. De mensen zullen terugkeren naar waarachtigheid, goedaardigheid, bescheidenheid en verdraagzaamheid en de natie zal zich opnieuw bekommeren over de basisbehoeften van het volk en alle beroepen zullen wederom bloeien.

Voetnoten

[1] Uit de “Annalen van voedsel en handelsvoorwerpen” in “Geschiedenis van de voormalige Han Dynastie” (Han Shu).

[2] Uit ‘Oriëntaalse cultuur’, Qian Bocheng, vierde editie (2000).

[3] Gao Gang en Rao Shushi waren allebei leden van het Centraal Comité. Na een onsuccesvolle gooi naar de macht tijdens een machtsstrijd in 1954 werden ze ervan beschuldigd de Partij te willen opsplitsen en werden ze vervolgens uit de Partij gestoten.

[4] Hu Feng, wetenschapper en literair criticus, verzette zich tegen het doctrinaire literatuurbeleid van de CCP. Hij werd in 1955 uit de Partij gestoten en veroordeeld tot 14 jaar gevangenis. Van 1951 tot 1952 initieerde de CCP de ‘Drie Anti-Campagne’ en de ‘Vijf Anti-Campagne’, campagnes met als doel het elimineren van corruptie en verspilling in de bureaucratie binnen de Partij, regering, leger en massaorganisaties.

[5] ‘Hoe de CCP de Christenen vervolgde’ (1958), in het Chinees.

[6] Lu Xun of Lu Hsün (25 september 1881 – 19 oktober 1936) wordt vaak beschouwd als de grondlegger van de moderne spreektaal (Baihua) in de Chinese literatuur. Hij was ook een beroemde vertaler. Als linkse schrijver speelde Lu een belangrijke rol in de geschiedenis van de Chinese literatuur. Zijn boeken hebben vele jonge Chinezen in grote mate beïnvloed. Nadat hij in 1909 naar China was teruggekeerd van zijn medische studies in Sendai in Japan werd hij een lector aan de Universiteit van Beijing en begon hij met schrijven.

[7] ‘De Grote Sprong Voorwaarts’ (1958-1961) was Mao’s waanzinnige plan om de welvaart en economie van China bij de wereldtop te voegen, dit door het creëren van zogenaamde ‘volkscommunes’. Iedere volkscommune moest instaan voor haar eigen landbouw, industrie, onderwijs, administratie en veiligheid en was georganiseerd zoals een militaire kazerne of een werkkamp, met gemeenschappelijke keukens en kantines, in sommige gevallen zelfs met gemeenschappelijke slaapplaatsen. Het betekende in de eerste plaats een ernstige aanslag op de traditionele gezinsstructuur. Tegen eind 1958 waren 750.000 landbouwcoöperatieven verhuisd naar 23.500 communes die elk bestonden uit ongeveer 5000 gezinnen. Boeren moesten hun vruchtbare akkers achterlaten om in de communes te gaan wonen en werken. Massaal veel landbouwers werden ingezet in de ambachtelijke staalproductie om Mao’s doelstelling om ‘de staalproductie in één jaar tijd te verdubbelen’, te bereiken. Het hele plan werd zo grootschalig en ondoordacht uitgevoerd dat de eruit resulterende hongersnood het leven kostte aan 30 à 40 miljoen mensen. De CCP heeft nooit haar schuld in deze catastrofe toegegeven: in de hedendaagse Chinese school- en geschiedenisboeken wordt de hongersnood valselijk toegeschreven aan ‘sabotage van voedseldepots door antirevolutionairen’ en aan ‘natuurrampen’, hoewel er in die tijd geen natuurrampen werden opgetekend in China.

[8] Zowel de Jadekeizer als de Drakenkoning zijn Chinese mythologische figuren. De Jadekeizer, formeel bekend als het verheven Jadepersonage, en door kinderen in de volksmond informeel ‘grootvader van de hemel’ genoemd, is de heerser van de hemel en één van de meest belangrijke goden van het Chinese Taoïstische godendom. De Drakenkoning is de goddelijke heerser van de vier zeeën. Er is een zee voor elke hoofdrichting en elke zee wordt geregeerd door een Drakenkoning. De Drakenkoningen leven in kristallen paleizen, bewaakt door garnaalsoldaten en krabgeneraals. Naast de heerschappij over de waterwereld beïnvloeden de Drakenkoningen ook de wolken en de regen. Er wordt gezegd dat de Drakenkoning van de Oosterse Zee het grootste territorium zou hebben.

[9] Peng Dehuai (1898–1974), communistisch Chinees generaal en politiek leider. Peng was de opperbevelhebber in de Koreaanse Oorlog, vice-premier van de Staatsraad, lid van het Politbureau en minister van Defensie van 1954–1959. Hij werd uit zijn officiële posten ontheven nadat hij het tijdens het Lushan plenum van de CCP in 1959 oneens was met de linkse aanpak van Mao.

[10] Zhao Gao (geboortedatum onbekend, hij stierf in 210 v Chr.) was hoofdeunuch gedurende de Qin Dynastie. In 210 v. Chr., nadat keizer Qin Shi Huang stierf, vervalsten Zhao Gao, eerste minister Li Si, en Hu Hai, de tweede zoon van de keizer, twee testamenten van de keizer, waardoor Hu Hai de nieuwe keizer werd en waardoor kroonprins Fu Su bevolen werd zelfmoord te plegen. Later groeiden er conflicten tussen Zhao Gao en Hu Hai. Zhao bracht een hert binnen in het koninklijke hof en zei dat het een paard was. Slechts een handvol functionarissen durfde het aan hem tegen te spreken en zeiden dat het een hert was. Zhao Gao geloofde dat die functionarissen die het dier een hert noemden tegen hem waren en hij verwijderde hen van hun posities aan het hof.

[11] De Culturele Revolutie (1966–1976) was een door Mao Zedong opgezette politieke campagne om het revolutionaire elan van de CCP terug op te bouwen na de catastrofale resultaten van ‘De Grote Sprong Voorwaarts’. Mao wilde het Partijbestuur zuiveren van zogenaamde revisionistische elementen: mensen die een ambtelijk, technisch beleid prefereerden boven een intensieve revolutionaire gezindheid. Mao sloot de scholen en onder toezicht van het leger werden jeugd en jeugdbewegingen gegroepeerd in de ‘Rode Garde’. Met Mao’s ‘Rode Boekje’ in de hand trokken zij erop uit om ‘bourgeoisiegezinden’ en ‘intellectuelen’ te terroriseren. Mao droeg de arbeiders op zich tegen hun werkgevers te keren, studenten tegen hun onderwijzers en kinderen tegen hun ouders; iedereen met een beetje autoriteit werd een potentieel doelwit. Miljoenen werden gedwongen handarbeid te verrichten, tienduizenden werden geëxecuteerd. Uiteindelijk liepen de activiteiten van de Rode Gardisten (huiszoekingen, vandalisme, mishandelingen, roof en moord) helemaal uit de hand en zij gingen hun eigen weg. In de loop van 1967 zette Mao het volksbevrijdingsleger in tegen de Rode Garde en in 1968 namen de zogenaamde ‘revolutiecomités’ (bestaande uit het leger, ‘gematigde’ Gardisten en overgebleven Partijfunctionarissen) de leiding van het land terug in handen. Meer bloedvergieten volgde. Het duurde nog een jaar alvorens de toestand zich min of meer stabiliseerde. De volgende jaren werden gekenmerkt door aanhoudende interne machtsstrijd in de CCP en bijhorende ‘zuiveringen’. De dood van Mao en de arrestatie van de ‘Bende van Vier’ betekende uiteindelijk het einde van de Culturele Revolutie.

[12] Vertaald van: http://www.boxun.com/hero/dings/39_1.shtml.

[13] De Rode Garde verwijst naar burgers die de Culturele Revolutie aan de frontlinies implementeerden. De meesten waren jongeren in hun mid-tienerjaren.

[14] Het ‘Daxing Bloedbad’ vond plaats in augustus 1966 tijdens de verandering van het leiderschap van de Partij in Beijing. Op dat moment hield Xie Fuzhi, de minister van het Ministerie van Openbare Veiligheid, een toespraak op een bijeenkomst van het Openbare Veiligheidsbureau van Beijing; hij riep hen op om niet tussenbeide te komen bij de acties van de Rode Garde tegen de ‘vijf zwarte klassen’. Deze toespraak werd snel doorgestuurd naar een lid van het Staande Comité van het Openbare Veiligheidsbureau van de provincie Daxing. Na de bijeenkomst schoot het Publieke Veiligheidsbureau van Daxing onmiddellijk in actie en vormde een plan om de massa in Daxing aan te zetten tot het ombrengen van de ‘vijf zwarte klassen’.

[15] Cijfers van 1 oktober 2005. Gedetailleerde verslagen van deze misdaden tegen de mensenrechten zijn terug te vinden in rapporten van Amnesty International
(http://www.amnesty.org/) en de Verenigde Naties (http://www.un.org/), en andere overheidsonafhankelijke organisaties.

[16] Op 23 januari 2001 overgoten vijf mensen zich met benzine en zetten zichzelf in brand op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing. De CCP beweerde dat het suïcidale Falun Gong beoefenaars betrof, maar een verdere analyse van de beelden doet vermoeden dat het om opgezet spel gaat. Zie ook: http://www.faluninfo.nl/article/achtergronden/1111824439.html

[17] In China bestaat er een geboortebeperkingswet van één kind per gezin. Overtredingen worden zwaar bestraft en beboet. Een gevolg hiervan is een groot aantal abortussen, en de stijgende kinderhandel in ongewenste baby’s.

[18] Plaatselijke CCP-afdelingen, geleid door CCP-leden.

[19] Uit ‘Collecties politieke geschriften’, Kang Youwei, Beijing, Zhonghua Zhuju, 1981. Kang Youwei (1858–1927) was een belangrijk hervormingsdenker van de late Qing periode.
[20] Uit Mencius.

"Negen Commentaren op de Communistische Partij" is een special van de Epoch Times